Aangifte voor de bepaling van het kadastraal inkomen van een tweede verblijf in het buitenland: termijn verstrijkt op 31 december 2021

Het Europees Hof van Justitie heeft België op 12 november 2020 veroordeeld omdat ons land de belastbare basis van buitenlands vastgoed op een andere manier bepaalde dan voor binnenlands vastgoed. Voor dit laatste was de kadastrale waarde van het onroerend goed de belastbare basis, terwijl voor onroerende goederen die in het buitenland gelegen zijn, de reële huurwaarde de basis was. Volgens het Hof was dit in strijd met de Europese regels betreffende het vrij kapitaals- en betalingsverkeer (artikel 63VWEU). Daarom heeft de Belgische wetgever in allerijl het Wetboek van Belastingen aangepast De kadastrale waarde is vanaf het aanslagjaar 2022 ook de belastbare grondslag voor vastgoed in het buitenland. Daarom moet de Belgische fiscus natuurlijk de kadastrale waarde van dit buitenlands onroerend goed kennen.

Aangifte

Om het kadastraal inkomen te kunnen bepalen van buitenlands vastgoed, moet de fiscus bepaalde gegevens opvragen. Het model van aangifteformulier voor vaststelling van een KI voor buitenlands vastgoed (en bijkomende info) kan men terugvinden op de website van de FOD Financiën: Kadastraal inkomen van in het buitenland gelegen onroerende goederen – Wat en hoe | FOD Financiën (belgium.be).

Men kan de aangifte indienen:

  • online via MyMinfin (Mijn woning -> Mijn onroerende gegevens raadplegen -> Een goed in het buitenland aangeven). Dat is de snelste en eenvoudigste manier.
  • door het aangifteformulier in te vullen en per e-mail te sturen naar foreigncad@minfin.fed.be of het via de post op te sturen.

Wie deze aangifteverplichting niet respecteert, stelt zich bloot aan administratieve geldboetes van 250,00 tot 3.000,00 euro.

Procedure

De fiscus heeft het aangifteformulier in de loop van juni  naar ongeveer 170.000 belastingplichtigen gestuurd die in voorgaande aanslagjaren in de aangifte personenbelasting de huur(waarde) van hun buitenlands vastgoed hebben vermeld. Wie pas in 2020 eigenaar is geworden van buitenlands vastgoed, moest dit in 2021 vermelden bij de aangifte voor de personenbelasting.  Die eigenaars hebben dan in september of oktober eveneens hun aangifteformulier gekregen.  Wie in januari of februari 2021 buitenlands vastgoed heeft verworven, had in principe tot einde juni de tijd om de aangifte te doen. Voor latere aankopen geldt dat men spontaan een aangifte moet doen binnen de 4 maanden na de aankoop.

De gegevens op basis waarvan de kadastrale waarde van het onroerend goed wordt berekend, worden dus door de fiscus opgevraagd via een aangifteformulier. Wie zijn of haar “eBox” heeft geactiveerd, krijgt het formulier via digitale weg. Anders wordt het via de gewone post verstuurd. Het ingevulde aangifteformulier moet voor 31 december 2021 aan de belastingdienst worden terugbezorgd.

Na ontvangst van de aangifte zal de belastingadministratie voor elk onroerend goed een KI vaststellen en dit per aangetekend schrijven meedelen. Iedereen heeft de mogelijkheid om binnen een termijn van 2 maanden bezwaar in te dienen tegen het betekend kadastraal inkomen.

Het nieuwe kadastraal inkomen van uw onroerend goed gelegen in het buitenland zal vanaf de aangifte in de personenbelasting die men in 2022 moet indienen, gebruikt worden om de buitenlandse onroerende inkomsten vast te stellen.

Over het juridisch statuut van stacaravans op Belgische campings

Het juridisch statuut van stacaravans in Belgische verblijfparken is zelfs voor doorgewinterde juristen vrij ingewikkeld,

Om te beginnen is er lange tijd onzekerheid geweest over de vraag of een stacaravan een roerend goed of een onroerend goed is. Roerende goederen zijn in principe goederen die men gemakkelijk kan verplaatsen, zoals een auto, een camper, een tent of een trekcaravan. Onroerende goederen zijn, bijvoorbeeld, gebouwen of gronden of andere zaken die op een of andere wijze blijvend verbonden zijn met de grond. Het kan ook over goederen gaan die  onroerend zijn “door bestemming”, zoals een verwarmingsketel in de garage of zonnepanelen op het dak. Een zonnepaneel kan men weliswaar losschroeven en verplaatsen maar uiteindelijk is het “bestemd” om op het dak te blijven liggen. Het wordt daarom als een onderdeel van het huis beschouwd waarop het is geïnstalleerd en dus als “onroerend door bestemming”.

Stacaravans die geplaatst worden op een betonvloer en aangesloten zijn op het elektriciteits-, waterleidings- en rioleringsnet, en waaraan vaak een terras is aangebouwd, worden door de rechtspraak in ons land momenteel beschouwd als onroerende goederen van nature, op dezelfde wijze als huizen. Betwistingen daarover werden  voor de rechtbanken gebracht door caravaneigenaars in verband met de onroerende voorheffing. Uiteindelijk beslisten de rechters dat een terrein waarop stacaravans zijn geïnstalleerd, een bebouwd onroerend goed is. (zie het arrest van het hof van beroep te Gent, elfde kamer, dd. 16 maart 2000). Wie eigenaar is van een terrein met een stacaravan moet dus ermee rekening houden dat het kadastraal inkomen op grond van beide wordt berekend.

De meeste stacaravans staan echter op een terrein van iemand anders, bijvoorbeeld van een uitbater van een camping. De eigenaar van de grond is dus niet dezelfde als de eigenaar van het onroerend goed dat erop staat. In ons recht wordt dat “opstal” genoemd. De wet omschrijft opstalrecht als volgt: “ Het recht van opstal is een zakelijk recht om gebouwen, werken of beplantingen te hebben voor het geheel of een deel, op, boven of onder andermans grond.”

Het feit dat de eigenaar van een stacaravan een opstalrecht heeft, is belangrijk omdat het een uitzondering is op de algemene regel van “natrekking”. Die regel van ons Burgerlijk Wetboek stelt dat wie eigenaar is van de grond, behoudens uitzondering, ook eigenaar is van wat erop staat. In het geval van een stacaravan die geen eigendom is van de campinguitbater, wordt er echter van uitgegaan dat er afstand werd gedaan van het recht van natrekking. De campinguitbater betaalt dan ook geen onroerende voorheffing op de stacaravans die op zijn terrein staan, maar waarvan hij geen eigenaar is.

Moet de eigenaar van een stacaravan die op een terrein staat waarvan hij geen eigenaar is, dan zelf onroerende voorheffing betalen? Gelukkig is dat niet het geval. Een stacaravan wordt namelijk niet afzonderlijk, los van de grond waarop ze staat, aan onroerende voorheffing onderworpen.

Indien een eigenaar van een stacaravan deze laatste plaatst of het terrein van een campinguitbater, dus op andermans terrein, wordt tussen deze beide partijen een overeenkomst gesloten. Campinguitbaters bieden daarvoor een contract aan voor de huur van een standplaats. Daar wringt nu net het schoentje. Dat contract wordt namelijk voor de duur van slechts één jaar gesloten en kan, volgens de meeste contracten die ons worden meegedeeld, door de campingeigenaar zonder enige motivatie, na elk jaar worden stopgezet. In de praktijk zetten die contracten de eigenaar van de stacaravan in een totaal afhankelijke positie ten opzichte van de campinguitbater. Deze laatste kan uiteindelijk doen wat hij wil: de prijs na een jaar drastisch verhogen, het campingreglement substantieel wijzigen, beslissen dat de stacaravan naar een andere plaats op de camping verhuisd moet worden, de omgeving rond de stacaravan ingrijpend veranderen door bomen of hagen te verwijderen, een fikse commissie eisen wanneer een stacaravan door de eigenaar ervan aan iemand anders wordt verkocht, weigeren om een afspraak op papier te zetten, enkel betalingen in cash aanvaarden, eisen dat voor afsluitingen, terrassen, etc. enkel materiaal mag worden gebruikt dat door de campinguitbater wordt geleverd aan een door hem willekeurig vastgestelde prijs, verplichten dat te oude stacaravans van het terrein moeten worden verwijderd op kosten van de eigenaar ervan, bijkomende betaling eisen voor toegangsbadges, sleutels, en allerhande andere zaken die nodig zijn om van de stacaravan gebruik te kunnen maken, enzovoort.

Het is duidelijk dat deze jaarcontracten, waarvan de verlenging zonder enige motivatie door de campinguitbater kan worden geweigerd, niet meer aangepast zijn aan de realiteit van de stacaravans van vandaag. Aan de basis ervan ligt de foute veronderstelling dat een stacaravan gemakkelijk en zonder veel kosten verplaatst kan worden. Dat is echter vrijwel nooit het geval. Daarom moeten er meer evenwichtige modelcontracten komen, die hetzij vrijwillig als norm aanvaard worden door de verenigingen van campinguitbaters, hetzij door de overheid worden opgelegd. TWERES wil eigenaars van stacaravans in Belgische campings rond die doelstelling samenbrengen en hiervan werk maken. Alleen samen kunnen we dit in beweging krijgen.

Contracten van Belgische campings zetten eigenaars van stacaravans in een rechteloze positie

Momenteel is er in Nederland veel te doen rond de overname van campingterreinen met stacaravans, door grote bedrijven om er luxueuze en dus dure vakantiewoningen op te plaatsen. Eigenaars van stacaravans die al tientallen jaren op de camping staan, worden verzocht op korte termijn op te hoepelen. Zie o.m. https://www.heemsteedsecourant.nl/lokaal/recreatie/752531/sandevoerde-familiecamping-moet-na-70-jaar-wijken

In Nederland staan eigenaars van stacaravans uiteindelijk in een zwakke juridische positie wanneer dit hen overkomt. In het algemeen echter, hebben eigenaars van stacaravans in Nederland veel betere contracten dan deze voor een staanplaats op de meeste Belgische campings.

Dat komt omdat de vereniging van  Nederlandse campinguitbaters, RECRON, samen met de ANWB (te vergelijken met Touring of VAB in België) en de Consumentenbond, modelcontracten hebben afgesproken. Die modelcontracten worden door de leden van RECRON toegepast.

Wie het RECRON modelcontract vergelijkt met de modelcontracten die in België o.m. door RECREAD zijn opgesteld, komt tot de vaststelling dat eigenaars van stacaravans op Belgische campings van vrijwel elk recht verstoken blijven. De clausules in de Belgische modelcontracten laten campinguitbaters zelfs toe om zonder motivatie de prijs te verhogen of zonder motivatie het jaarcontract niet te verlengen. Bij onderhandse verkoop van een stacaravan tussen eigenaars kunnen zij, ook wanneer zij geen enkele rol spelen bij die verkoop, niettemin een percentage van de verkoopprijs opeisen. Ze kunnen naar believen het campingreglement aanpassen of werken uitvoeren op de camping. Wie daarmee niet tevreden is, heeft enkel de mogelijkheid om de stacaravan te verkopen of naar elders te verplaatsen.

De Nederlandse “RECRON voorwaarden” zijn op die punten voor de eigenaars van stacaravans zeker gunstiger. Enkele voorbeelden:

  • De  campinguitbater kan de prijs slechts aanmerkelijk verhogen indien hij dit motiveert en indien hij dit ten minste achttien maanden op voorhand heeft meegedeeld.
  • Een ingrijpende wijziging van het campingreglement moet de  campinguitbater uiterlijk zes maanden voor het einde van het overeenkomstjaar meedelen.
  • Bij een onderhandse verkoop van een stacaravan, mag de  campinguitbater het sluiten van een contract voor de huur van de staanplaats  met een koper van de stacaravan niet afhankelijk stellen van een financiële tegemoetkoming of niet verplichten dat de verkoop enkel door zijn bemiddeling tot stand kan komen.
  • Indien de eigenaar van een stacaravan met de campinguitbater toch overeenkomt dat de verkoop van de stacaravan via de bemiddeling van de campinguitbater mag gebeuren, moet daarover een schriftelijk contract worden opgemaakt waarin een redelijke vergoeding wordt bepaald voor gemaakte kosten en geïnvesteerde tijd.
  • Heel belangrijk: de overeenkomsten gelden weliswaar voor één jaar maar de verlenging is automatisch en kan niet zonder geldige reden door de campinguitbater worden geweigerd. De mogelijke geldige redenen worden in het contract opgesomd (bijv. het niet respecteren, ook na schriftelijke waarschuwing, van het campingreglement of de stacaravan “ondanks schriftelijke waarschuwing in een zodanig slechte staat verkeert, dat het aanzien van het terrein en de directe omgeving wordt geschaad”.).
  • De eigenaar van de stacaravan heeft minimale rechten wanneer de campinguitbater wil overgaan tot herstructurering (bijv. renovatiewerken). De  campinguitbater zorgt er zo veel mogelijk voor dat de recreant in de periode voor aanvang van de herstructurering niet op hinderlijke wijze in zijn recreatiegenot wordt gestoord door voorbereidende werkzaamheden.
  • Indien omwille van die werken het huurcontract voor de staanplaats stopgezet moet worden, geldt een opzegtermijn van één jaar.
  • In geval van herstructurering waarbij de  campinguitbater de overeenkomst beëindigt, is de  campinguitbater verplicht de recreant zo mogelijk een plaats (minimaal gelijkwaardig) op het terrein aan te bieden, tenzij het stacaravan, gezien de leeftijd van het stacaravan en/of de staat waarin dit verkeert, niet meer op het terrein past.
  • Indien een minimaal gelijkwaardige plaats niet op het terrein beschikbaar is, heeft de eigenaar van de stacaravan recht op een tegemoetkoming in de verplaatsingskosten. De verplaatsingskosten vanaf de plaats tot buiten het terrein zijn voor rekening van de  campinguitbater.
  • Ook heel belangrijk: geschillen tussen campinguitbaters en caravaneigenaars kunnen voorgelegd worden aan een gemengde geschillencommissie waarin naar RECRON, ook ANWB en de Consumentenbond zetelen. Beide partijen zijn gebonden aan uitspraken van de geschillencommissie
  • Indien de caravaneigenaar  de beëindiging van de overeenkomst door de  campinguitbater betwist en het geschil tijdig heeft voorgelegd aan de geschillencommissie, mag de  campinguitbater niet overgaan tot ontruiming, alvorens de geschillencommissie daarin uitspraak heeft gedaan.
  • Er bestaat, tenslotte, een “nakomingsgarantie”. RECRON zal de verplichting van de  campinguitbater -indien deze RECRON-lid is ten tijde van het aanhangig maken van het geschil, hem in een beslissing door de geschillencommissie opgelegd, overnemen, indien de  campinguitbater de beslissing niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft opgevolgd.

Conclusie: Nederlandse modelcontracten geven aan eigenaars van stacaravans tegenover campinguitbaters van wie ze een staanplaats huren, in elk geval een minimale bescherming tegen misbruiken en willekeur. Daarentegen plaatsen de Belgische modelcontracten, zoals ze o.m. door RECREAD worden voorgesteld en door veel campinguitbaters worden gebruikt, de eigenaars van stacaravans in een rechteloze positie.

Idealiter zouden ook in België evenwichtige modelcontracten moeten worden onderhandeld tussen verenigingen van campinguitbater, verenigingen van tweedeverblijvers en een derde partij zoals Touring of VAB.  TWERES wil daarover met RECREAD in contact treden. Tegelijk vraagt TWERES ook aan de overheid om voor een betere juridische bescherming van caravaneigenaars te zorgen.

Een lichtpuntje voor de rechtspositie van tweedeverblijvers in stacaravans?

Tweedeverblijvers die in een Belgisch verblijfpark een staanplaats huren voor hun stacaravan, staan vaak machteloos tegen willekeurige maatregelen van de campingexploitant. De contracten die met de exploitant ondertekend worden, kunnen immers elk jaar zonder enige motivatie beëindigd worden. Tweedeverblijvers die niet tevreden zijn, hebben als enige uitweg hun stacaravan te verkopen of naar elders te verplaatsen. Die laatste oplossing kost echter veel geld en is doorgaans zeer nadelig voor de caravaneigenaar.

In ons Belgisch rechtssysteem staat het een campingexploitant vrij een staanplaats te verhuren aan wie hij wil. Nu blijkt, sinds een uitspraak van het Hof van Cassatie, dat die vrijheid om een contract te sluiten met wie men wil, niet absoluut en onbegrensd  is. Volgens de Cassatierechters mag de contractvrijheid niet worden misbruikt. Die beslissing viel na een lange procedure die al in 2015 begon tussen Camping Calypso en een koper van een stacaravan op het verblijfpark van Calypso in Oostende.

Camping Calypso verhuurt, zoals de meeste campings, standplaatsen voor  een duurtijd van telkens één jaar. In 2015 verhuurde  zij standplaats nummer 23 aan Tomco. Tomco was de eigenares  van de stacaravan op dat perceel. Begin augustus 2015  verkocht Tomco de stacaravan, die op standplaats 23 stond, voor een bedrag van 45000 EUR aan  een koppel. Enkele dagen na deze verkoop ontving Tomco een factuur van Camping Calypso. Die eiste een  commissie op de verkoop van de stacaravan.

Tomco protesteerde deze factuur omdat zij van mening  was dat een dergelijke commissie nooit was afgesproken. Daarop besliste Camping Calypso om eind  augustus 2015 de huur op te zeggen en de ontruiming  van de standplaats te vragen tegen uiterlijk 31 december 2015.

Inmiddels had het koppel de stacaravan al in gebruik  genomen. Enkele maanden later meldden zij per brief  aan Camping Calypso dat zij de nieuwe eigenaars waren van de stacaravan op standplaats 23 en  dat zij voor het jaar 2016 de huurprijs zouden betalen. Camping Calypso liet hierop weten dat  aan de lopende huurovereenkomst op 31 december  2015 een einde zou komen en dat zij niet bereid was  de standplaats voor het jaar 2016 aan het koppel te  verhuren.

Tot in 2016 bleef het koppel evenwel gebruikmaken van de standplaats. Hierop dagvaardde Camping Calypso het koppel tot ontruiming van standplaats 23 voor het vredegerecht van het kanton Oostende. De vrederechter  veroordeelde het koppel tot betaling van een bezettingsvergoeding en verwierp hun tegenvordering dat  Camping Calypso misbruik zou hebben gemaakt  van haar contractvrijheid door te weigeren de stand- plaats 23 aan hen te verhuren.

In hoger beroep oordeelde de rechtbank van eerste  aanleg West-Vlaanderen (afdeling Brugge) dat Camping Calypso ten onrechte weigerde met  het koppel te contracteren en veroordeelde Calypso  tot  de betaling van een schadevergoeding van 7000 EUR  aan het koppel.

Tegen dit vonnis tekende  Camping Calypso cassatieberoep aan. In  zijn arrest van 27 april  2020 besliste het Hof van Cassatie dat het cassatieberoep niet  kon worden aangenomen. Het Hof oordeelde dat  het Hof van beroep terecht kon beslissen dat er sprake was van  misbruik van contractweigering. Volgens de cassatierechters had het Hof van beroep correct  beslist dat de contractweigering buiten  verhouding stond  tot het nadeel van het koppel die hierdoor hun caravan uiteindelijk met verlies  dienden te verkopen. Daarom was er in de gegeven situatie sprake van “rechtsmisbruik”.

De conclusie van dit verhaal is dat een campingexploitant weliswaar de vrijheid heeft om een standplaats te verhuren aan wie hij wil of ook een einde mag maken aan een jaarcontract voor een staanplaats. Die contractvrijheid mag echter niet worden misbruikt. Om na te gaan of er sprake is van misbruik wordt het voordeel van de exploitant afgewogen tegen het nadeel voor de huurder van de staanplaats. Dat is een klein lichtpuntje in de vrijwel volledig van enig recht verstoken positie waarin eigenaars van stacaravans zich tegenover campingexploitanten bevinden.

Uiteindelijk heeft het koppel dus toch hun dure stacaravan met verlies moeten verkopen en hebben ze na vijf jaar procederen, een schadevergoeding van 7000 EUR gekregen. Het bereik van het lichtpuntje blijft dus helaas vrij beperkt.

Eèn jaar geleden: onze brief van 11 november 2020 (!) aan Staatssecretaris Eva De Bleeker over problemen van eigenaars van stacaravans in Belgische campings.

Eén jaar geleden stuurden we vanuit TWERES de volgende brief naar Staatssecretaris Eva De Bleeker die in de federale regering bevoegd is voor consumentenbescherming. Tot op vandaag wachten we nog steeds op een antwoord.

“Geachte Mevrouw de Staatssecretaris,

Ik contacteer u als bestuurder van de vereniging zonder winstoogmerk “TWERES”. Die vereniging is in juli 2020 opgericht en verdedigt de belangen van eigenaars-bewoners van een tweede verblijf in België. De oprichting is een uitvloeisel van het protest van deze groep tegen het aanhouden van het verbod om naar het tweede verblijf te gaan in de context van de “exit” strategie op het einde van de lockdown in mei. Ik verwijs naar de website van onze vereniging https://tweres.be voor meer details over onze vereniging.

De reden waarom ik u aanschrijf heeft te maken met uw bevoegdheid inzake consumentenbescherming. De consumenten voor wie wij u contacteren zijn de eigenaars-bewoners van stacaravans, chalets of bungalows in vakantieparken en campings. Het gaat hier over een zeer grote groep van gezinnen, niet enkel in campings of vakantieparken in kustgemeenten maar ook in andere toeristische regio’s zoals de Ardennen, de Kempen en de Limburgse Maasvallei.

Met ons jonge vereniging hebben wij vrij snel gedetecteerd dat deze groep van gezinnen zich in een vrijwel rechteloze positie bevindt tegenover de exploitanten van vakantieparken en campings. Zowel de wetgeving, de rechtspraak maar meer nog de contracten die deze mensen ondertekenen, gaan er nog steeds vanuit dat het om “kampeerders” gaat.

Deze “kampeerders” zijn echter in de praktijk eigenaar van een onroerend goed waarvoor ze bedragen tussen 20.000 en 200.000 EUR betalen en waarin ze ook na de aankoop nog voortdurend investeren. Als “kampeerders” huren zij echter een “staanplaats” in een vakantiepark of camping op jaarbasis.

De huurcontracten worden door de exploitanten van campings en vakantieparken naar believen aangepast. Bovendien beslissen deze exploitanten ook volkomen willekeurig over sluiting van hun camping of vakantiepark zodat de stacaravan of het chalet voor de eigenaar ervan niet meer bereikbaar is.

Veel zaken worden door de exploitanten “mondeling” geregeld en er moet frequent in cash worden betaald, zodat onze leden niet over bewijsstukken beschikken om misbruiken aan te klagen. Daarnaast zijn er nog veel andere aberrante toestanden, die wij op korte tijd in dit domein hebben ontdekt.

De huidige juridische logica is nog steeds gebaseerd op de kwalificatie van deze eigenaars als “kampeerders”. Dat betekent dat zij  gedwongen zijn alle door de exploitanten opgelegde voorwaarden te aanvaarden en als enig middel hun eigendom uit het park of de camping kunnen weghalen. In de praktijk is een dergelijke verhuizing uiteraard onmogelijk. In tegenstelling tot vroeger, gaat het hier niet meer over trekcaravans of tenten, maar over vaak heel dure woningeenheden met aansluiting op riolering, elektriciteit, water, internet en waarrond meestal ook een terras en tuin is aangelegd.

Ik wil als bestuurder van TWERES een inspanning leveren om aan deze toestanden iets te doen. Het is hier dat wij uw hulp nodig hebben. Concreet denken wij aan een wettelijke bescherming van deze groep. Die bescherming moet een evenwicht vinden tussen de rechten van de exploitanten (als eigenaar van de grond en de collectieve installaties) en de eigenaars van de stacaravans of chalets op deze grond.

Staat u open voor een verkennend gesprek daarover? Gelet op de coronamaatregelen kunnen wij eventueel een vergadering organiseren via “Zoom”.

Ik dank u alvast voor uw aandacht voor deze problematiek.

Met oprechte achting

JD
Bestuurder TWERES”

 

Krakers in uw tweede verblijf in Spanje. Wat nu?

Tijdens de coronacrisis en de daaraan gekoppelde reisbeperkingen was er in de media opvallend meer aandacht voor de problemen van eigenaars van tweede verblijven van wie de woning werd bezet door krakers.  Die mensen terug uit uw huis of appartement krijgen, is minder eenvoudig dan vaak wordt gedacht. In dit blogbericht bekijken we wat meer in detail de regels die daaromtrent in Spanje gelden.

Kraken van woningen is ook in Spanje meestal een strafbaar feit

Zoals in de meeste landen wordt illegale bezetting van andermans eigendom ook in Spanje bestraft indien de bezetter een strafbaar feit heeft gepleegd om in de woning binnen te kunnen raken.  Twee misdrijven komen in aanmerking: inbraak (artikelen 202 of 203 van het Spaans strafwetboek) of usurpatie. (artikel 245). Inbraak kan bestraft worden met gevangenisstraf van 6 maanden tot 4 jaar. Usurpatie is het, intentioneel en zonder toestemming, andermans eigendom bewonen of daarin verblijven tegen de wil van de eigenaar. Dat misdrijf wordt gestraft met een geldboete van drie tot zes maanden.

De meeste gevallen van “kraak” van een woning gaan gepaard met één van deze twee misdrijven en dan kan het slachtoffer zich richten tot de politie en het parket. Men moet er echter rekening mee houden dat de politie de bezetters niet zomaar uit de woning kan zetten. Het moet bijvoorbeeld voor het misdrijf van usurpatie duidelijk bewezen zijn dat uit het gedrag van de eigenaar niet kon afgeleid worden dat de bezetting impliciet een tijd lang werd geduld. Ook is er niet altijd van “inbraak” sprake in juridische zin, bijvoorbeeld wanneer een woning niet regelmatig gebruikt wordt als eerste of tweede verblijf maar al enige tijd onbewoond is gebleven. In het Spaanse recht wordt “inbraak” namelijk gedefinieerd als het zich onrechtmatig toegang verschaffen tot een ruimte die daadwerkelijk als privéwoning wordt gebruikt. Dat is bijvoorbeeld niet het geval bij het kraken van een onbewoond huis dat al geruime tijd leegstaat. In dat geval kan wel van “usurpatie” sprake zijn.

Betrapping op heterdaad en de zogenaamde “48 uren-regel”

In principe kan de politie de krakers  niet uit de woning zetten zonder rechterlijk bevel en het verkrijgen van een dergelijk vonnis tot uitzetting duurt al gauw drie tot vier maanden.  De politie kan echter uitzonderlijk wel onmiddellijk tot uitzetting overgaan wanneer sprake is van betrapping op heterdaad.     Volgens de jurisprudentie van het Spaanse Hof van Cassatie is betrapping op heterdaad van toepassing in een aantal gevallen, zoals bijvoorbeeld wanneer de feiten rechtstreeks door de politie worden vastgesteld, wanneer buren de politie melden dat er mensen een woning binnendringen door een raam of deur open te breken of wanneer aan een alarmcentrale wordt gewaarschuwd dat er een inbraaksignaal in het gebouw is geactiveerd.

In sommige media is in dit verband gewag gemaakt van een zogenaamde “48 uren-regel” maar die regel bestaat helemaal niet. Betrapping op heterdaad heeft in het Spaanse recht niets te maken met het al dan niet respecteren van een termijn waarbinnen de inbraak aan de politie gemeld moet worden. Snel reageren is uiteraard belangrijk maar het is niet zo dat wie binnen de 48 uur naar de politie stapt, de garantie krijgt dat de krakers uit het huis zullen worden gezet zonder de noodzaak van een rechterlijk bevel. Omgekeerd kan een melding aan de politie na, bijvoorbeeld, drie of vier dagen nog steeds aanleiding geven tot onmiddellijke uitzetting, namelijk op voorwaarde dat de daders door buren, voorbijgangers, conciërge, private veiligheidsagenten of anderen op heterdaad werden betrapt en daarvan bewijs kan worden voorgelegd.

Niet elke illegale bezetting van een woning is een zaak voor de politie

Niet elke onrechtmatige bezetting van een woning gaat gepaard met het plegen van een strafbaar feit. Het is ook mogelijk dat de degene die uw woning in Spanje bezet, geen intentie had om een misdrijf te plegen of dat er geen enkel bewijs is van een misdrijf.  Net als in ons land zal de Spaanse politie weinig kunnen doen indien geen strafbaar feit wordt aangetoond. De enige manier om in dat geval iemand uw woning te krijgen, is dan een verzoekschrift bij de burgerlijke rechtbank. Men heeft op dat moment de keuze tussen een viertal verschillende burgerlijke procedures, waarvan de ene al wat sneller dan de andere tot concreet resultaat leidt. Eén van die procedures, die door een wet van 2018 werd gewijzigd,  laat toe dat de eigenaar onmiddellijk na het verkrijgen van een vonnis in eerste aanleg zijn woning terug in bezit kan nemen. De tegenpartij kan dus niet in de woning blijven zitten door beroep tegen dat vonnis in te stellen. Daarom wordt deze procedure in het geval van een klassiek geval van bezetting door krakers momenteel het meest gebruikt.

Praktische richtlijnen voor eigenaars van een woning in Spanje

Om uit te maken of men al dan niet bij de Spaanse politie of de Guardia Civil  terecht kan, is het raadzaam  een beroep te doen op een advocaat zodra men melding krijgt dat uw woning werd gekraakt. Die advocaat kan u de juiste juridische strategie voorstellen om de zaak zo snel mogelijk opgelost te krijgen. Inschakeling van een advocaat is zeker nodig voor wie zelf niet de Spaanse taal machtig is. Om een geschikte Spaanse advocaat te vinden, kan men zich tot TWERES wenden.

Indien men een procedure voor de burgerlijke rechtbank moet instellen, is sowieso de bijstand van een advocaat en van een “procureur” verplicht. Een procureur is de persoon die de verantwoordelijkheid op zich neemt om namens de cliënt met de rechtbank te communiceren. Een procureur is verbonden aan één bepaalde rechtbank waar hij of zij bevoegd is om te communiceren met de rechter namens zijn of haar cliënten. In Spanje is een procureur nog steeds verplicht.

De Spaanse overheid raadt eigenaars van gekraakte woningen zelf aan om snel klacht in te dienen. Daarvoor stelt ze een mobiele applicatie “Alertcops” ter beschikking. Men kan de app via Google Play en via de App Store downloaden, zich vervolgens registreren en dat bevestigen na een ontvangen SMS. Eenmaal goed geïnstalleerd, kan men via de test of ‘Alerta de prueba’ de smartphone app uitproberen. Er wordt op dat moment een tekstbericht naar de mensen achter AlertCops gestuurd en als alles goed functioneert ontvangt men het bericht ‘The system can process your alerts’ of in het Spaans ‘El sistema puede procesar sus alertas’. AlertCops kan niet enkel in het Spaans gebruikt worden maar ook in het Engels, Duits en Frans.

Ook belangrijk is dat men bij een klacht naar aanleiding van een gekraakte woning een recent eigendomsbewijs kan voorleggen. Dat kan op eenvoudige wijze online verkregen worden via de overheidswebsite https://www.registradores.org en kost ongeveer 10 EUR. Bovendien is het best om zoveel mogelijk bewijsstukken bij te voegen, zoals verklaringen van buren, conciërge, bewakingsbedrijf, e-mails of sms-berichten die u van de bezetting op de hoogte hebben gesteld, etc. Op die manier kan maakt men kans dat er  “betrapping op heterdaad” is en de krakers door de politie kunnen worden uitgezet zonder tussenkomst van een rechter.

Wanneer dat toch niet lukt en de rechtbank moet ingeschakeld worden, is, zoals al aangegeven, een advocaat nodig. Ondanks de wetswijziging van 2018 vergen de gerechtelijke procedures nog altijd veel tijd want ook de Spaanse justitie werkt nogal traag.

Het is, tot slot, ook daarom evident dat de Spaanse autoriteiten preventieve maatregelen aanbevelen, zoals installatie van veiligheidssloten, een goed alarmsysteem, liefst permanent verbonden met een bewakingsbedrijf, webcamera’s en verwittigen van een buur bij lange afwezigheid.

Reacties? Stuur uw e-mail naar nicole@tweres.be

Steeds meer eigenaars van tweede verblijven starten bezwaarprocedure tegen de ongelijke fiscale behandeling in kustgemeenten

Veel eigenaars van tweede verblijven ontvangen deze maand hun aanslagbiljet voor de gemeentebelasting op hun tweede verblijf. In De Panne, Knokke-Heist, Koksijde en Middelkerke starten steeds meer eigenaars een bezwaarprocedure tegen die belasting. Zij stappen, na de verwerping van hun bezwaar door de gemeente, ook talrijker naar de rechtbank. De drempel daarvoor is veel  lager geworden sinds TWERES op haar website een online loket heeft ingericht ( https://tweres.be/actie-gemeentebelasting/).
Eigenaars kunnen via dat loket hun bezwaarprocedure inleiden. De kans op slagen van die procedure is reëel omdat het hof van beroep de gemeentetaks in de bewuste kustgemeenten onwettelijk heeft verklaard. Het risico dat de toekomstige rechtspraak volledig de andere kant opgaat, is bijzonder klein. TWERES adviseert daarom de betrokken eigenaars om via haar websiteloket een bezwaarschrift in te dienen. Dat biedt het voordeel dat men de taks niet moet betalen tot er een eindbeslissing van de rechtbank komt.

Het initiatief van TWERES richt zich tegen de belasting op tweede verblijven in gemeenten waar geen aanvullende personenbelasting wordt geheven ten laste van de ingeschreven inwoners. In De Panne, Koksijde en Knokke-Heist betalen die ingeschreven inwoners nul procent aanvullende gemeentebelasting. Dat is zeer ongewoon. In de meeste Belgische gemeenten is het tarief gemiddeld rond 7%. In heel veel Belgische gemeenten ligt het tarief zelfs tussen 8% en 9% van het belastbaar gezinsinkomen. Een tarief van 0% is dus hoogst uitzonderlijk en dat is in de betrokken gemeenten enkel mogelijk door zeer hoge belastingen te heffen op tweede verblijven. Die belasting bedraagt, bijvoorbeeld in Koksijde, in 2021 al 1.191 EUR en gaat nog elk jaar omhoog.  In Middelkerke is de aanvullende personenbelasting voor de eigen inwoners weliswaar nu nog niet volledig afgeschaft. Ze wordt gefaseerd afgebouwd en vanaf 2024 is ook daar het tarief 0%. Tegelijk is de belasting op tweede verblijven er verhoogd van 600 naar 800 euro per jaar.

Het belastingreglement in de vier kustgemeenten gaat rechtstreeks in tegen de aanbeveling van de Vlaamse overheid, die schrijft: “Om geen verschuiving van de belastingdruk te creëren naar personen die niet in de bevolkingsregisters van de gemeente zijn ingeschreven en die er dus niet kiesgerechtigd zijn, is vereist dat het geheven tarief redelijk in verhouding staat tot de belastingen die de inwoners betalen.”

Ondanks deze aanbeveling én de talrijke rechterlijke uitspraken waarin de onwettigheid van de belasting is vastgesteld, blijven de betrokken gemeenten nog steeds de betwiste aanslagbiljetten naar eigenaars van tweede verblijven op hun grondgebied sturen. Zij rekenen erop dat slechts een minderheid van de eigenaars zich de moeite getroost om bezwaar in te dienen tegen de belasting en een advocaat aan te stellen om een fiscale procedure op te starten. De meerderheid betaalt, weliswaar met tegenzin, zonder zich te verzetten. In gemeenten met heel veel tweede verblijven kunnen de lokale besturen aan hun kiezers op die manier een uiterst voordeling fiscaal regime aanbieden. Dat is bijvoorbeeld het geval in Knokke-Heist waar op een totaal van 39.000 woningen er ruim 21.000 gebruikt worden als tweede verblijf.

Volgens TWERES is het fiscaal beleid in de betrokken kustgemeenten niet enkel illegaal maar ook fundamenteel onrechtvaardig: “Een gezin met een bescheiden inkomen dat in Brussel in een klein appartement huurt maar via erfenis eigenaar is geworden van een studio van 45 m2 in Koksijde betaalt jaarlijks een taks van meer dan duizend euro, terwijl de gedomicilieerde eigenaar van een ruime villa met zwembad en zicht op zee van het fiscaal nultarief geniet. Dat is toch volstrekt onredelijk.”

Door de drempel voor bezwaarprocedures te verlagen, hoopt TWERES de politiek van de geviseerde gemeentebesturen te beïnvloeden. De vereniging neemt, tegen een forfaitair bedrag, alle beslommeringen in verband met de procedure van de eigenaar over en adviseert om voorlopig de taks niet te betalen tot er een eindbeslissing valt. Dat kan enkele jaren duren maar de kans dat men uiteindelijk gelijk krijgt en bovendien ook de kosten recupereert, is bijzonder groot. Intussen derven de gemeenten de inkomsten uit de discriminerende belasting en worden ze met hoge juridische kosten opgezadeld. Na de gemeenteraadsverkiezingen van 2024 zullen die factoren de nieuwe coalities misschien tot andere inzichten brengen.

Zie voor meer details: https://tweres.be/actie-gemeentebelasting/

TWERES wenst snel duidelijkheid over impact van nieuwe nettarieven op de elektriciteitsfactuur

Iedereen die aangesloten is op het distributienet voor elektriciteit, is aan de beheerder van dat net een bijdrage verschuldigd voor het gebruik ervan. Dat “nettarief” dient om de stroom via het net naar de huizen te brengen, het net te onderhouden, waar nodig nieuwe kabels te leggen, enzovoort. Nettarieven worden geïnd via de factuur die men van de stroomleverancier ontvangt en maken daarvan ruwweg een vierde uit.

Vandaag betalen de gezinnen via hun elektriciteitsfactuur een nettarief dat overeenstemt met de hoeveelheid elektriciteit – in kWh –  die ze afnemen van het net. In Vlaanderen zal dat vanaf 2022 veranderen.  Vanaf dan gaat het nettarief voor 80 procent berekend worden aan de hand van een jaarlijks gemiddelde van de  “vermogenmaandpieken”. De “vermogenmaandpiek” is het in die maand gemeten hoogste vermogen (kW) dat alle elektrische toestellen samen vragen gedurende een kwartier. Elke maand zal dus via de digitale elektriciteitsmeter een maandpiek gemeten worden en jaarlijks wordt daarvan het gemiddelde berekend. Voor 20% blijft het verbruik de basis voor het vaststellen van het nettarief.

Het laat zich gemakkelijk raden dat een gezin dat maar enkele keren per maand naar het tweede verblijf afzakt, wel eens de klos zou kunnen worden van de nieuwe berekeningswijze. Dat tweede verblijf staat vaak leeg en het jaarlijks verbruik van elektriciteit is daarom laag. Dus betaalt dat gezin vandaag een laag nettarief. Maar datzelfde gezin heeft op de dagen dat ze het tweede verblijf bewonen, misschien wel hoge capaciteitspieken omdat veel toestellen tegelijk elektriciteit nodig hebben. Indien het nettarief berekend wordt op basis van de gemiddelde maandpiek, valt het voordeel voor het gezin van tweedeverblijvers dus grotendeels weg. Een laag verbruik over een gans jaar, gaat in de toekomst maar in zeer geringe mate meespelen in het bedrag van de netkosten op de elektriciteitsfactuur.

De Vlaamse regulator voor elektriciteit en gas, afgekort “de VREG”,  beloofde al een jaar geleden om in februari 2021 met meer relevante informatie voor de dag te komen. Er werd ook meer duidelijkheid beloofd over het te verwachten gevolg voor atypische gebruikers zoals niet-permanente bewoners van een tweede verblijf. De VREG beloofde dat er tegen die tijd ook een computerprogramma zou zijn, waarmee men zelf de gevolgen van de nieuwe nettarieven kan simuleren. Die beloften zijn echter helaas niet waargemaakt. Alles is nu uitgesteld tot het midden van dit jaar”.

In een open brief  aan de voorzitter van de VREG, heeft TWERES haarongerustheid uitgedrukt over wat er voor haar leden te wachten staat.

TWERES wijst erop dat de VREG al enige tijd beschikt over de resultaten van de pilootprojecten die Fluvius uitvoerde bij 20.000 gezinnen. Deze pilootprojecten, die bij een representatief staal van de gezinnen in Vlaanderen werden uitgevoerd en die ook atypische verbruikersgroepen viseerden zoals bewoners van vakantiehuisjes en appartementen op de zeedijk, werden immers reeds een jaar geleden afgerond. Daarom eist de vereniging dat de VREG, op grond van de gegevens die hij reeds lange tijd in zijn bezit heeft, voor de dag komt met duidelijke informatie, aan de hand van representatieve voorbeeldsituaties. Ook wordt gevraagd om op heel korte termijn het simulatieprogramma ter beschikking te stellen.

Voor wie meer details wil lezen over de nieuwe nettarieven: klik hier

TWERES eist nu maximale transparantie van de VREG over impact nieuwe nettarieven op tweedeverblijvers!

Inleiding

De VREG (Vlaamse energie regulator) heeft op 13 08 2020, na een drietal consultaties van de stakeholders, de tariefmethodologie  voor de periode 2021/2024 vastgelegd. Vanaf 2022 zullen de netgebonden distributiekosten (zie uitleg hieronder) in de elektriciteitsfactuur worden doorgerekend op basis van het aangewende vermogen (kW).
Tot nu toe is de tarifering van de netgebonden distributiekosten volledig gebaseerd op de verbruikte kWh, dus hoe meer energie je verbruikt (kWh), hoe meer je betaalt voor de netkosten.
Deze evolutie voor elektriciteit is te vergelijken met de telecom/internetfactuur waar ook het onderscheid gemaakt wordt downloadsnelheid (hier capaciteitstarief kW) enerzijds, en hoeveelheid megabyte die werd gedownload (hier kWh) anderzijds.

Waarover gaat het precies? Wat zijn de “netgebonden distributiekosten”?

Het inkomen van Fluvius (elektriciteits- en gasdistributie in Vlaanderen) is een vast bedrag dat jaarlijks bepaald wordt door de VREG voor de netkosten die onderdeel zijn van de totale elektriciteitsfactuur. De distributienettarieven zijn de methode waarop dat bedrag verdeeld wordt over alle consumenten en ondernemingen in het Vlaams Gewest.

Voor een gemiddeld gezin maken de totale distributiekosten vandaag ongeveer een kleine 53 % (45% zonder BTW) uit van de totale elektriciteitsfactuur. Hierin zit naast de netkosten o.a. ook de kost “OpenbareDienstVerplichtingen” (zoals o.a. groene-stroom-certificaten die in principe beter niet in de elektriciteitskost zouden zitten).
Het nieuwe capaciteitstarief zal echter alleen worden toegepast op de zuivere “netkosten” (de aanleg en onderhoud van kabels, transformatoren en meters in distributie en transport). Voor een gemiddeld gezin bedragen deze ongeveer 25% (21% zonder BTW) van de huidige elektriciteitsfactuur.

Dit betekent dat ongeveer ¼ van de huidige factuur onderhevig zal zijn aan de gewijzigde toewijzing van de netkosten aan de verbruikers. (voor gans Vlaanderen 1 miljard €/jr voor de gezinnen!)
In bijlage (1) gaat ter info een detailoverzicht van alle componenten van de elektriciteitsfactuur in Vlaanderen.

Waarom wordt het capaciteitstarief ingevoerd?

De hervorming van de distributienettarieven zijn een gevolg van de “energietransitie”:

  • enerzijds van het huidige energiesysteem, dat nog grotendeels fossiele- en nucleaire energiebronnen is gebaseerd, naar energie uit hernieuwbare en decentrale en locale energiebronnen,
  • anderzijds de noodzakelijke steile groei naar meer elektrische voertuigen (alle voertuigen tegen 2050?), meer warmtepompen (i.p.v. stookolie en gas voor verwarming), en in de toekomst wellicht ook andere nog uit te vinden technologieën.

De energietransitie is noodzakelijk en dringend om de enorme uitdagingen van de klimaatverandering aan te pakken. Hierdoor zullen de distributienetten in de toekomst meer en anders gebruikt worden én blootgesteld worden aan grotere (gelijktijdige) piekbelastingen.

De hervorming zou volgens de VREG niet enkel tot een objectieve kostentoewijzing moeten leiden, maar ook een stimulans moeten zijn voor gebruikers om efficiënter met energie om te gaan. De distributienetten zijn – wat capaciteit betreft – afgestemd op het piekvermogen van gezinnen en bedrijven, om ten allen tijde aan de vraag te kunnen voldoen.
Zonder hervorming (dus zonder het zo laag mogelijk houden van de capaciteitspiek) zouden op termijn zeer hoge nieuwe netinvesteringen nodig zijn en zouden de distributienettarieven in de toekomst heel wat duurder worden.

Over deze algemene analyse op zich is er een grote consensus.

TWERES is zeker geen tegenstander van die noodzakelijke energietransitie, maar wil wel dat er op korte termijn meer transparantie komt over de impact van het nieuw tarief op de individueel te betalen netkosten, in de eerste plaats voor atypische verbruikers!

Hoe zullen de nieuwe netkosten concreet berekend worden?

De distributienettarieven zullen:

  • voor 80% gebaseerd zijn op het gemiddelde van de 12 voorbije vermogenmaandpieken (kW) met een minimum van 2.5 kW/maand (oorsprong zie verder). De maandpiek is het hoogste vermogen gemeten per kwartier gedurende die maand;
  • voor 20% op basis van het verbruik (zoals nu voor 100%) in kWh

Om de nieuwe tarifering volledig te kunnen toepassen is een digitale meter noodzakelijk. In tegenstelling tot de digitale meter, registreert de klassieke meter énkel uw afname (kWh) en geen capaciteitspieken (kW). Bij gezinnen met een klassieke meter kan men dus geen capaciteitstarief aanrekenen op basis van de ‘gemiddelde maandpiek’, zoals dat bij netgebruikers met een digitale meter zal gebeuren.

Wél zullen ook netgebruikers met een klassieke meter een minimale jaarlijkse bijdrage betalen in de netkosten. Deze bijdrage wordt aangerekend via een vast bedrag. Dit bedrag stemt qua hoogte overeen met de minimale bijdrage (2.5 kW) die bij gezinnen met een digitale meter vervat zit in het capaciteitstarief.

Alle overige distributiekosten zullen op basis van de afgenomen kWh blijven aangerekend worden.

Het is duidelijk dat in de toekomst de manier waarop je elektriciteit afneemt mee zal bepalen of je aan het nieuw tarief wint of verliest.

Oorsprong van het minimum vermogen van 2.5 kW voor de maandpieken

Dit minimum werd vastgelegd op basis van de reeds enige tijd afgesloten pilootprojecten van Fluvius met 20.000 gezinnen met digitale meter (representatief voor Vlaanderen), waarvan de kwartiermetingen werden bijgehouden.
Volgens de VREG is de 2.5 kW een evenwicht tussen de kost voor kleine verbruikers enerzijds en de minimale bijdragen van elkeen aan de netwerkkosten anderzijds.

Zal iedereen die een piekvermogen groter dan 3,15 kW veroorzaakt ‘meer’ betalen of ‘afgestraft’ worden?

Er zal een lineair capaciteitstarief worden ingevoerd. Een gezin met een ‘gemiddelde maandpiek’ van 6 kW betaalt dus dubbel zoveel als een gezin met een ‘gemiddelde maandpiek’ van 3 kW. Er wordt dus wel een ondergrens van 2,5 kW voorzien. Gezinnen die in bepaalde maanden geen verbruik hebben of een piek veroorzaken die lager is dan 2,5 kW, wordt toch een bedrag aangerekend dat overeenkomt met deze ondergrens. Hierdoor zal iedereen een minimale jaarlijkse bijdrage betalen in de netkosten. Dit heeft vooral een impact op netgebruikers met een heel beperkt of occasioneel verbruik zoals tweedeverblijvers of kotstudenten.
Het vermogen van 3,15 kW komt volgens initiële steekproefgegevens overeen met het piekvermogen van een gemiddeld gezin met de gebruikelijke huishoudelijke toestellen.

Wat betekent “verliezen” hier eigenlijk?

Meer betalen betekent dus dat je t.o.v. het gemiddeld gezin in Vlaanderen meer capaciteitspieken hebt voor een lager verbruik en omgekeerd.
De VREG geeft aan dat volgens zijn voorlopige simulaties ruim 60% van de gezinnen zijn distributienettarieven in 2022 zal zien dalen of met maximaal 10% zal zien toenemen ten opzichte van 2020.
Bij de “consumenten” (gezinnen die geen zonnepanelen hebben) zal maar liefst 12 % een factuur netkosten hebben die op basis van de nieuwe tarifering meer dan verdubbelt!

Relatief gezien is dat veel in aantal, maar om de impact beter in te schatten geeft onderstaande grafiek het verschil in euro’s. De linkse kolommarge geeft aan wat de gezinnen in het oude tarief betalen.

Kort samengevat toont deze grafiek dat voor verbruikers die vandaag minder dan 150 euro per jaar betalen aan netkosten, in 2022 de netkosten meer dan verdubbelen.

Maximum verhoging

De VREG heeft in principe een maximumtarief voorzien voor de verschillende klantengroepen in euro per kWh voor het netgebruik tot 2024. Men wil daarmee grote sprongen in de netfactuur voor de verschillende netgebruikers vermijden. De totale factuur voor netkosten zal een bovenlimiet hebben van 30% boven het 95e percentiel van de huidige tarieven voor een staal van de huishoudens.
Dit zou ongeveer overeenkomen met een maximumverhoging van 100% (verdubbeling) van de nu betaalde netkosten.
Die limiet op de stijging van de netkosten geldt enkel voor gezinnen die al een digitale meter hebben begin 2022.
Ter informatie: begin maart 2021 zijn er in Vlaanderen reeds 640 000 digitale meters geïnstalleerd, dit is 10% van he totale aantal – eind 2024 moet dit 80% zijn, eind 2028 100%.

Voor klanten met een klassieke meter komt er vanaf 2022 een vast bedrag dat overeenstemt met de minimale bijdrage ter hoogte van 2,5 kW die vervat zit in het capaciteitstarief. Het is niet zo dat gezinnen met een klassieke meter altijd meer zullen betalen dan wanneer zij een digitale meter hebben. Dit hangt af van hun individuele situatie.

Consumenten kunnen vandaag de impact op hun elektriciteitsfactuur niet inschatten!

Veel tweedeverblijvers die bijna enkel in vakantieperiodes in hun tweedeverblijf zijn (relatief laag jaarverbruik en lage netkosten) zullen naar alle verwachting dus vanaf 2022 veel meer betalen voor de netkosten. De meerkost op zich is voor deze categorie misschien niet gigantisch uitgedrukt in Euro, maar toch, 150 of 200 €/jr is voor veel gezinnen ook niet te verwaarlozen.
Er zijn uiteraard veel verschillende elementen die heel diverse profielen van tweedeverblijven vormen: veel of weinig aanwezigheid, regelmatig aanwezig of alleen in de vakantiemaanden, directe elektrische verwarming of accumulatie, dag of dag/nacht en uitsluitend nachttarief, veel of weinig elektrisch koken, al dan niet wassen en drogen, veel of weinig elektrische apparaten, … Voor sommige van deze verbruikersprofielen kan de meerkost in Euro veel belangrijker zijn.

TWERES heeft de problematiek van het capaciteitstarief grondig onderzocht om de leden zo goed mogelijk te kunnen informeren over de impact van het nieuw tarief voor de netkosten.
Het grote probleem is echter dat door de berekeningsmethode voor de nieuwe distributienettarieven het quasi onmogelijk is om (manueel) een goede simulatie te maken van de gevraagde capaciteit, en meer bepaald de maandpieken ervan over een gans jaar (die heel verschillend kunnen zijn – bv elektrische verwarming in de wintermaanden).

Ter informatie: begin maart 2021 zijn er in Vlaanderen reeds 640 000 digitale meters geïnstalleerd, dit is 10% van he totale aantal – eind 2024 moet dit 80% zijn, eind 2028 100%.

TWERES eist nu maximale transparantie van de VREG over impact nieuwe nettarieven op tweedeverblijven in Vlaanderen!

Na de zomer vorig jaar gaf de VREG al aan dat de volgende stap een communicatietraject zou zijn in februari 2021 over de nieuwe tarieven voor netkosten die ingaan op 1 januari 2022. Het was de bedoeling om een waaier van specifieke simulaties te kunnen voorstellen zoals bv. voor diverse profielen van tweedeverblijven, en de lancering van een simulatietool waarmee iedereen bij benadering zijn eigen situatie zou kunnen inschatten.

TWERES is ten zeerste ontgoocheld over de melding van de CEO van de VREG in de hoorzitting van 10 maart ll. in het Vlaams Parlement, dat de informatie die de VREG al voor de zomer 2020 distilleerde uit de geanonimiseerde digitale meetgegevens van duizenden gezinnen, en de simulatietool nu pas “midden 2021” zouden aangeboden worden.

TWERES dringt er in een brief bij de Voorzitter van de VREG op aan alle informatie vrij te geven waarover de VREG beschikt, en die relevant is voor de inschatting van het impact van de nieuwe tarifering . Dit geldt zeker voor de resultaten van de digitale-meter-pilootprojecten van Fluvius bij 20.000 gezinnen die al meer dan een jaar zijn afgerond. Hierin zitten ook gegevens voor chalets in vakantieparken en appartementen op de zeedijk.
Ook de in het vooruitzicht gestelde simulatietool zou dringend moeten online komen.

Gezinnen die nog geen digitale meter hebben, en meer in het bijzonder de atypische verbruikersprofielen zoals tweede verblijven, zijn volledig aangewezen op informatie van de VREG om een inschatting van hun nieuwe kostensituatie te kunnen maken.

TWERES wil hier opkomen voor zo’n 125.000 gezinnen met een tweede verblijf in Vlaanderen. Het is onaanvaardbaar voor een nieuwe tarifering met impact op ongeveer ¼ van de elektriciteitsfactuur, dat gezinnen slechts enkele maanden voor de toepassing ervan toegang krijgen tot relevante informatie. Dit geldt in het bijzonder voor de tweede verblijven – die ook door de VREG zelf – bij de mogelijks grotere “verliezers” in deze evolutie geklasseerd worden.

Komt er uitstel over de invoering van het capaciteitstarief?

Eind 2020 heeft Fluvius de VREG uitstel van 6 maanden gevraagd voor de invoering van het nieuwe distributienettarief. De raad van bestuur van de VREG is zinnens hierop positief te reageren en heeft een snelle consultatie van alle stakeholders gelanceerd.

Een mogelijk tijdelijk uitstel van de invoering van het capaciteitstarief is zeker geen argument om de door TWERES gevraagde informatiestappen nu niet te zetten. Het is hoog tijd voor meer duidelijkheid over de toekomstige individuele netkosten van gezinnen, meer bepaald voor de atypische zoals  tweede verblijven.


Bijlage 1

(bron: VREG.be)

Naar wie gaan mijn centen? Verdeling energiefactuur over de verschillende componenten

De samenstelling van de energiefactuur van een gezin (elektriciteit), gebaseerd op een verbruik van 3.500 kWh (dag: 1.600 kWh, nacht: 1.900 kWh):

UW ENERGIEFACTUUR BESTAAT UIT (CIJFERS VAN DECEMBER 2020):%BEDRAG
Energiekost m.u.v. Kosten GS en Kosten WKK28,13%250,78 euro
Kosten GS (Groene Stroom)8,12%72,38 euro
Kosten WKK (Warmte-Kracht-Koppeling)1,20%10,69 euro
Distributie – Netbeheer17,97%160,19 euro
Distributie – ODV (Openbare DienstVerplichtingen) en toeslagen17,40%155,15 euro
Transmissie – Netbeheer3,71%33,04 euro
Transmissie – Toeslagen3,70%33,03 euro
Heffingen – fed. Bijdr.1,25%11,13 euro
Heffingen – energiebijdrage0,91%8,16 euro
Heffingen – Bijdrage Energiefonds0,58%5,16 euro
Btw(17,04%)151,92 euro

 

Bijlage 2

(bron: VREG.be)

Is Vlaanderen de enige plek waar men een capaciteitstarief invoert?

In het licht van de energietransitie en de mogelijke impact hiervan op de netkosten overwegen meer en meer landen en regio’s de invoering van een capaciteitstarief of een verhoging van het capaciteitsaandeel in de distributienettarieven.

In sommige landen zijn er vandaag al grotendeels capaciteitsgebaseerde nettarieven, bijvoorbeeld in Nederland, Spanje en Italië.

Bijlage 3

(bron: VREG.be)

Enkele interessante vragen en antwoorden om het nieuwe tariefsysteem goed te kunnen plaatsen

Kan u zelf de capaciteitspiek laag houden door het gebruik van bepaalde toestellen mee te spreiden in de tijd?

Het samen aanzetten van verschillende gebruikelijke huishoudelijke toestellen heeft in de meeste gevallen maar een beperkte impact op het te betalen capaciteitstarief. De maandpiek komt namelijk overeen met het hoogste kwartiervermogen dat u in een maand heeft gebruikt; niet met het hoogste ogenblikkelijke vermogen. Het vermogen weergegeven op een elektrisch toestel geeft hierdoor geen volledig beeld van de impact van dat toestel op het te betalen capaciteitstarief. Ook de duur waarover dit vermogen wordt gevraagd en het verloop van de cyclus van het toestel zoals een wasmachine spelen een belangrijke rol.

Bijvoorbeeld:

  • Het gebruik van een waterkoker met een vermogen van 2 kW verhoogt het gemeten kwartiervermogen niet met 2 kW. Door de kortstondige werking van het toestel (het water wordt in enkele minuten tot kooktemperatuur gebracht) zal de impact op de kwartierpiek eerder 0,25 à 0,3 kW bedragen.
  • Het gebruik van een oven met een vermogen van 4 kW verhoogt het gemeten kwartiervermogen niet met 4 kW. Door de modulerende werking (aan-/uitschakelen) van een oven éénmaal de gewenste temperatuur is bereikt, zal de impact op de kwartierpiek eerder 1 à 2 kW bedragen.

Het heeft in ieder geval geen zin om het gebruik van ál uw toestellen te spreiden en hierdoor sterk aan comfort in te boeten. Bij de aanrekening van het capaciteitstarief wordt voor elke maandpiek namelijk een minimumwaarde van 2,5 kW in rekening genomen.


Wat als u nog een analoge teller heeft op 1 januari 2022?

(bron: VREG.be)

In tegenstelling tot de digitale meter, registreert de klassieke meter énkel uw afname (kWh) en geen capaciteitspieken (kW). We kunnen bij gezinnen met een klassieke meter dus geen capaciteitstarief aanrekenen op basis van de ‘gemiddelde maandpiek’, zoals dat bij netgebruikers met een digitale meter zal gebeuren.

Wél zullen ook netgebruikers met een klassieke meter een minimale jaarlijkse bijdrage betalen in de netkosten. Deze bijdrage wordt aangerekend via een vast bedrag. Dit bedrag stemt qua hoogte overeen met de minimale bijdrage van 2.5 kW die bij gezinnen met een digitale meter vervat zit in het capaciteitstarief.

Alle overige distributiekosten zullen op basis van uw afgenomen kWh aangerekend blijven worden.


Wat gebeurt er met het “dag-nachttarief” vanaf 2022

Het dag-/nachttarief verdwijnt vanaf 2022 zowel met digitale meting als met de analoge teller. Dit heeft echter enkel betrekking op de berekening van de netkosten. Leveranciers kunnen nog steeds een dag-nachttarief aanbieden.


Wat met het “Uitsluitend nachttarief”

(bron: VREG.be)

Er zijn vandaag ongeveer 150.000 gezinnen die genieten van het historisch voordelige exclusief nachttarief. Een aanrekening o.b.v. capaciteit i.p.v. kWh is op zich vaak niet nadelig voor klanten met elektrische verwarming omdat zij een relatief hoog verbruik kennen met een goede benutting. De geleidelijke afbouw van het  exclusief nachttarief zorgt er inderdaad wél voor dat er in deze groep, bij ongewijzigd gedrag, relatief meer gezinnen zijn die in de toekomst beduidend (> 100 €) meer (Netkosten) zullen betalen dan vandaag.
De huidige tarifering van het exclusief nachtverbruik wordt afgebouwd over een periode van 8 jaar (2021 – 2028) en geldt zowel voor gezinnen met een digitale als een klassieke meter.

Geen enkele minister acht zich bevoegd om de petitie van TWERES in ontvangst te nemen

Twee weken geleden lanceerde de belangenvereniging van tweedeverblijvers “TWERES” een petitie onder de titel “noodzakelijke reis naar woning in het buitenland = essentiële reis”. De vereniging wordt nog dagelijks overstelpt door eigenaars van een woning in het buitenland die bericthen ontvangen van buren of politie over stormschade, inbraken of zelfs inname van hun woonst door krakers.  De eigenaars begrijpen niet waarom ze zich niet ter plaatse mogen begeven om de schade aan hun eigendom vast te stellen en verder onheil te voorkomen. Niemand kan hen uitleggen wat dit verbod om van hun eerste naar hun tweede woning in het buitenland te rijden, met de bestrijding van het coronavirus te maken heeft. Bij gebrek aan die motivering, interpreteren ze de sluiting van de landsgrenzen dan ook als een zuiver repressieve maatregel. Ze stellen zich ook terecht vragen over de logica van de huidige lijst van “essentiële reizen” die bijvoorbeeld wel een verhuizing, het zorg dragen voor dieren of het laten herstellen van een voertuig bevat. Volgens TWERES komt het totaal gebrek aan uitleg en rechtvaardiging daarover het beoogde draagvlak voor de naleving van alle andere coronamaatregelen zeker niet ten goede.

De ondertekenaars van de petitie, die uiteindelijk 4768 geldige handtekeningen opleverde, vragen om noodzakelijke reizen van eigenaars naar hun woning in het buitenland voor het uitvoeren van dringende onderhouds- of herstellingswerken, toe te voegen aan de lijst van essentiële reizen in de tweede bijlage van het toepasselijke ministerieel besluit van 21 maart 2021.

Oorspronkelijk was het de  bedoeling van de initiatiefnemers om de petitie vorige vrijdag 19 maart af te geven op het kabinet van Premier De Croo. Woensdag 17 maart deelde het kabinet de vereniging echter mee dat ze de petitie diende af te geven aan het kabinet van de bevoegde minister, namelijk Minister van Binnenlandse Zaken, Annelies Verlinden. Minister Verlinden was echter van oordeel dat de vertegenwoordigers van TWERES toch de petitie  aan Premier De Croo moesten overhandigen vermits de Premier tenslotte voorzitter is van het Overlegcomité dat hierover moet beslissen. Ook werd toegevoegd dat in deze zaken het advies van de experts in de GEMS (“‘Groep van experts voor ­management­strategie van ­Covid-19”) wordt gevolgd.

TWERES heeft daarop opnieuw het kabinet van Premier De Croo gecontacteerd maar het verzoek om de petitie te overhandigen nu ook gericht aan het kabinet van de Minister van Volksgezondheid, Frank Vandenbroucke. Van geen van beide kabinetten kwam echter een antwoord, ook niet na herhaald aandringen.

Omdat de bevoegde ministers verwijzen naar het advies van de experts in de GEMS heeft TWERES de vraag voor een correctie van de lijst van “essentiële reizen” ook voorgelegd aan alle leden van dit adviescomité. Slechts van twee experts kwam een antwoord. Een expert schreef dat hij het standpunt begrijpt en dat hij de vraag doorstuurt naar het coronacommissariaat. Een tweede expert antwoordde dat hij het niet fair vindt dat de politici zich achter de experts verschuilen, maar beloofde tegelijk de vraag aan de GEMS te zullen voorleggen.

Omdat niemand haar petitie in ontvangst wil nemen, zal TWERES de lijst van handtekeningen nu opsturen aan alle leden van het Overlegcomité. Tegelijk wordt nog steeds gehoopt dat de verantwoordelijke ministers in de eerstvolgende dagen de gevraagde correctie aan de lijst van “essentiële reizen” zullen doorvoeren.